zondag 22 januari 2012

Het verhaal van een foto (4)

Het is Thankgiving Day 2005. Ik ben in New York City, na een lange reis door Australië en Nieuw Zeeland. Dit is mijn langste reis alleen en het is wonderbaarlijk goed gegaan. De afgelopen dagen ben ik op bezoek geweest bij Evert in Boston. Voor het eerst heb ik na bijna twee maanden weer Nederlands gepraat en mijn ervaringen kunnen delen. Nu sta ik op een koude novemberochtend langs Broadway te wachten op de Thankgiving Parade. Amerikaanse gezinnen staan met hun kinderen te wachten op wat komen gaat. Gelukkig voor hen gaat de parade door, want vanochtend waren de ochtenshows op de televisie nog onzeker daarover. De wind zou een spelbreker kunnen zijn voor de parade.
Ik sta kleumend tussen de gezinnen die vol verwachting de lange straat afkijken. Dan horen we in de verte het publiek enthousiast applaudiseren. De eerste ballon is in zicht. Een paar minuten laten horen we de muziek van de drumband en zien ook wij de eerste enorme ballon. De mensen om mij heen beginnen te joelen als de eerste stripheld boven de straat hangt, bijeengehouden door zeker veertig man, die met touwen de ballon tussen de wolkenkrabbers geleiden. De eerste passeert en de volgende komt. De immense ballonnen zijn voor mij slechts sporadisch herkenbaar. Mijn striphelden zijn voornamelijk Europees, maar als Charlie Brown passeert, verschijnt ook bij mij een glimlach van herkenning. 'Good old Charlie' is ook voor mij een held. Ik leg hem voor de eeuwigheid vast op mijn camera. Hij passeert bijna geruisloos.

Later die dag zie ik op televisie dat op Times Square een bijna fataal ongeluk is gebeurt. Een van de ballonnen heeft een lantarenpaal geraakt, waardoor een lamp naar beneden is gevallen en een toeschouwer is geraakt. Gelukkig was het slechts een schampschot en kon de parade doorgaan.
Die avond eet ik mijnt traditionele Thankgiving Diner, kalkoen met aardappelpuree. Later die avond ga ik naar de musical Chicago, waarin een van mijn muzikale helden een hoofdrol speelt; Huey Lewis. Als ik naar mijn hotel loop, besef ik dat heel Amerika met de familie samen is. Ik loop alleen door de straten van New York City.

maandag 29 augustus 2011

Beren op de weg (2/2)

We halen opgelucht adem. De beer is vertrokken. We kijken naar de foto's en video die we hebben genomen en genieten nog na van het avontuur dat we net hebben beleefd. Scotty, de zeventigjarige Schot die in een camper op het terrein woont, komt aanlopen met een geweer losjes op de schouder. In zijn onvervalste Glasgow-accent vertelt hij ons dat hij de volgende keer de beer recht tussen de oren schiet. Ik glimlach en probeer ondertussen mijn lichaam behendig uit de richting van de loop van zijn geweer te bewegen. Als hij dit merkt, zegt hij dat het geweer niet geladen is. Ik glimlach weer, maar nu van schaamte.

Even later stappen we in de auto om onze verse broden bij enkele mensen langs te brengen. Als we de oprijlaan afrijden, zien we halverwege plotsklaps onze beer. Ik toeter en de beer kijkt achterom met een blik van 'Wat doen jullie op mijn oprijlaan?' Ik toeter nog maar een keer en langzaam verdwijnt onze donkerharige vriend in de bosjes. Wij rijden door.

Na drie kwartier komen we weer thuis. De zon gaat langzaam onder als we weer naar binnen lopen. Als we de keuken ingaan, zien we pas wat er gebeurd is. Een van de horren uit de eetkamer ligt op de grond, met alle spullen die op de vensterbank stonden. Er kan maar een oorzaak zijn; de beer heeft geprobeerd naar binnen te komen. Terwijl mijn neef en Scotty de schade opnemen, loop ik ondertussen verder door het huis. In een van de kamers achter is ook de hor uit het raam. Als ik het opraap, zie ik de vijf gaten waar de beer zijn klauw heeft gezet. Ook op de vensterbank zijn de sporen van de berenklauw te zien. Ik roep de anderen erbij en we kijken samen naar wat er gebeurd moet zijn. Dan lopen we naar buiten om te kijken. Ik blijk amper bij de vensterbank te kunnen. De beer moet dus meer dan 2 meter zijn.



Het is ondertussen donker. Ik rook mijn sigaretten nu boven op het balkon van het huis, want echt naar buiten durf ik niet meer. Mijn neef heeft ondertussen de 'berenpolitie' gebeld. Zij zullen morgen langskomen met een berenval. Enigszins gerustgesteld gaan we de avond en de nacht in.

De volgende dag komt 's middags de wagen met op de aanhangwagen de berenval. De twee 'berenvangers' kijken naar de beelden op de video en knikken dat het een 'grote jongen' is. Ze stellen de val op in de hoek van de tuin. En vertrekken vervolgens om nog een berenval te zetten in de omgeving van Cold Lake, want er zijn veel meldingen van beren.




Om twaalf uur 's nacht klapt de val dicht. We proberen naar buiten te kijken, maar het licht van onze zaklamp is te  zwak. Wel horen we het krassen van een beest in de grote ronde ton. Er zit dus iets in de val. Hopelijk is het onze beer.
De volgende ochtend komen de 'berenvangers' weer langs. Ze proberen te kijken of het 'onze' beer is, maar kunnen dat niet goed zien. De val wordt weer achter de wagen gehangen en ze rijden weg.



Een paar dagen later hoor ik dat het inderdaad de 'goede' beer was en dat hij kilometers ver weg weer is vrijgelaten. Ondertussen is er weer een nieuwe beer gesignaleerd in de tuin.

dinsdag 23 augustus 2011

Beren op de weg (1/2)

Iedereen weet dat Canada het land van de beren is. Zwarte beren, bruine beren en - als je mazzel hebt - Grizzlie beren. Nou moet ik meteen vertellen dat ik tot nu toe geen mazzal heb gehad. In alle tijd die ik in Canada heb doorgebracht - en dat is bijna anderhalf jaar van mijn leven - heb ik deze 'grote jongens' nog nooit gezien. Maar wel de andere twee soorten.

Voor degenen die het nog niet wisten, maar de afgelopen vier weken was ik weer in Canada. Overigens ook deels in de Verenigde Staten. Begonnen in Calgary, zakte ik eerst af naar Yellowstone park. Nog maar tien minuten in het park zag ik een grote verkeersopstopping. Er was blijkbaar iets te zien. Een hulpvaardige ranger zei dat er een beer in het bos was. Vlug parkeerde ik de auto en gewapend met twee camera's (foto en video) snelde ik naar de andere kijkers. Maar hoe ik ook keek, de beer was niet te zien. Nou ja, een heel klein stukje beer was door de bomen wel te ontwaren. Geplichtsgetrouw nam ik mijn opnames. Het kan immers de laatste beer zijn deze vakantie.

Na anderhalve week passeer ik weer de grens met Canada. Vijftig meter verder zie ik voor me twee auto's staan. En ja hoor, een beer loopt rustig de weg over om in de berm naar bessen en vruchten te zoeken. Gelukkig liggen de camera's paraat naast me op de passagiersstoel en kan ik deze bruine beer voor de lens krijgen.
Een dag later in Waterton Lakes park is weer raak. Nog een bruine beer, maar wel wat ver weg.

In de derde week bezoek ik mijn familie in het noorden van Alberta. Mijn neef woont in een prachtig huis van boomstammen, diep in het bos. Elke avond maken we een wandeling van een kilometer langs zijn oprijlaan die behoorlijk steil afloopt. En op de terugweg dus een hele klim is. We zien jonge hertjes in de tuin en ik zie zelfs een vos. Zo nu en dan vliegt een kolibri langs die het kleurige bloemenpatroon van de tuinstoelen te checken. Het is hier prachtig toeven.

We hebben brood gebakken in de keuken (ooit was ik samen met mijn neef bakker in de bakkerij van mijn oom). Daarna willen we aan het avondeten beginnen. 'Zullen we buiten eten?', vraagt mijn neef. 'Nee, het is veel de winderig', antwoord ik. Ik pak ondertussen spullen uit de ijskast als mijn neef roept: 'A bear, a bear, a bear!' Ik roep terug: 'Where, where, where?' En dan zie ik hem. Een grote zwarte beer loopt langs de rand van de tuin. Ik snel naar mijn fotocamera en vraag mijn neef de videocamera te pakken. De beer loopt langs de oprijlaan, maar steekt dan over richting het huis.

Hij komt steeds dichterbij. Sterker hij staat vlak voor ons en steekt zijn neus in de lucht om te ruiken. Als we geluid maken, schrikt hij even terug en loopt vervolgens achter het huis om. Ik probeer hem te volgen van kamer naar kamer. Bij de voordeur zien we hem weer. Hij klimt zowaar op de veranda. Mijn neef probeert hem met geluid te verjagen en de beer deinst langzaam terug. Hij loopt langs mijn huurauto naar de schuur en vervolgens via de camper naar de achterkant van het huis, waarna hij uit het zicht verdwijnt.



(wordt vervolgd)

woensdag 13 juli 2011

Tim Knol of toch niet?

Ik mag jaarlijks mee op een fietsweekend. Ja, dat staat er echt. Maar fietsen doe ik nooit. Dat laat ik aan al die vrienden over die denken dat ouder worden nog te  bestrijden valt met inspanning. Ik denk vooral dat ouder worden steeds meer bestreden kan worden met ontspanning.

Daarom mag ik ook mee. Ik ben van de ontspanning. Ik ben van de muzikale omlijsting. Een avondje Rob in Point de Vue in België. Wie wil dat niet meemaken. En, omdat noten meer zeggen dan letters, hier een proeve van de sfeer. Het lijkt wel Tim Knol op latere leeftijd. Of misschien ook weer niet?



Vergeef mijn vrienden die meezingen. Zij kunnen het ook niet helpen dat zij enthousiast zijn en minder zangtalent hebben. En met dank aan die andere Rob voor de opname.

maandag 11 juli 2011

Barcelona: Stad van Gaudi (2)

Het is 1883. In Barcelona is een jaar eerder de bouw begonnen van de Sagrada Familia. De opdrachtgever haalt de eerste archtitect van het werk en vraagt aan Gaudi om de kerk af te maken. Tot aan zijn dood werk hij aan de kerk. Maar hij zal nooit de zijn meesterwerk in volle voltooiing zien. De vraag is of ik dat moment ook ooit zal beleven.

Als ik uit de metro kom, zie ik de geboortegevel in volle glorie voor me. Op het eerste gezicht lijkt het of immense druipkaarsen hun resten op de gevel hebben achtergelaten. Maar als ik dichterbij kom, zie ik de beeldengroepen die in nissen opdoemen. Mijn ogen schieten langs de gevel op en neer. Van de schildpadden die de kolommen lijken te dragen tot de spiraalachtige torens ver in de lichtblauwe lucht.

Ik loop om de kerk heen en sta in de rij voor de ingang. Dit is lijdensgevel. Een modernistische strakke gevel, met aan het Kubisme en Picasso denkende beelden. Het is bijna een genot om in de rij voor de kassa te mogen staan. Nu kun je kerk langzaam tot je nemen.

Als ik naar binnen loop, stokt mijn adem. Zoiets heb ik nog nooit gezien. Lichtgekleurde kolommen reiken naar boven, om halverwege te vertakken in andere kolommen, die op hun beurt verder vertakken naar het dak van de katedraal. Dit is geen gebouw, maar een bos. Dit is geen architectuur, maar kunst. Dit is geen werkelijkheid, maar droom. Ik ga zitten en neem starend naar boven deze droomwereld in mij op.

De Sagrada Familia is nog niet af. Maar is zelfs nu al een van de meest fascinerende bouwwerken die ik ooit heb gezien. Ik loop er meer dan een uur dwalend in rond, steeds weer geraakt door het licht in de kerk, de kleuren van de ramen, de verrassende details en de prachtige beelden. Enigszins dromerig loop ik weer naar buiten. Bij het oversteken van de weg let ik goed op. Dat deed Gaudi niet in 1926. Hij kwam onder een tram en overleed.

maandag 27 juni 2011

Barcelona: Stad van Gaudi (1)

Bijna twee maanden geleden was ik voor het eerst in Spanje. Nou ja, Catalonië om precies te zijn. Ik was slechts een van de weinigen die nog nooit in Barcelona was geweest en dus werd het hoog tijd. Het hotel stond hartje centrum en had de gewenste luxe. En, in tegenstelling tot de weersverwachting, scheen de zon gewoon zoals het hoort in een Zuid-Europees land.
Na een namiddagje doelloos dwalen door het oude centrum, waarbij ook enkele honderden meters van de overvolle en toeristische Ramblas hoorden, zeeg ik neer in lounge van het hotel. Een goed glas wijn en vast de dag van morgen plannen.

Dit wordt een Gaudi-dag. Ik steek om 10 uur mijn hoofd boven de grond en zie in de verte de 'drakenrug' van Casa Batlló. Er staat al een heuse rij toeristen te wachten bij de ingang, maar gelukkig beweegt de rij snel langs de kassa. Ondertussen neem ik de voorgevel van dit prachtige huis in mij op. Het was een bestaand huis dat door Gaudi in 1904 is verbouwd. Het lijkt of de gevel wordt gesteund door botten met prachtig gevormde balkons die het bijna een menselijk gezicht geven. Eenmaal binnen is de fascinatie compleet. Geen muur is recht, geen raam heeft dezelfde vorm, alles is uniek en organisch. De plafonds, de trappen, het glas-in-lood. Ik kijk mijn ogen uit. Langzaam bestijg ik de trappen rondom het blauwbetegelde atrium. Dan sta ik op het dak. Hier zijn de beroemde schoorsteenkappen van Gaudi te bewonderen. Met mozaïek gevormde grillige vormen die kleurrijk naar de hemel reiken. De geschubde drakenrug met haar groengeglazuurde wervelkolom. Elk detail is bedacht en elk detail is handgemaakt.

Eenmaal buiten geniet ik na op een terras en neem een kleine lunch. Een glas heerlijke ijskoffie completeerd het gevoel dat dit een bijzondere dag zal worden.

Een paar honderd meter verder ligt Casa Milà, een door de architect in 1906 ontworpen appartementencomplex. Ook hier staat een rij wachtenden in de zon. De gevel golft en deint op en neer en de ijzeren balkons lijken op gevlochten tropische planten. Binnen zijn er twee atriums met zachte groene en paarse kleuren. Ik neem de lift naar het dak. Als de deuren opengaan ontvouwt zich een wonderlijk schouwspel. Ik word aangestaard door tientallen stenen gezichten. Ridders en verbaasde Buddha's. Het is moeilijk te beseffen dat ook dit allemaal schoorsteenkappen zijn. Vanuit elke hoek lijken de sculpturen anders. Een lijkt op de 'schreeuw van Munch'. Elders staan vier 'ridders' met verschillende gezichtsuitdrukkingen over de stad heen te kijken. Ik heb zelden architectuur en kunst zo met elkaar verbonden zien zijn. Eigenlijk kan ik hiet uren zitten en alleen maar kijken. Toch besluit ik uiteindelijk weer naar beneden te gaan. Ik bezoek nog een van de appartementen en daal verder af. Beneden op straat kijk ik nog een keer terug naar het gebouw voordat ik weer onder de grond ga op weg naar nog meer Gaudi....

dinsdag 7 juni 2011

Bij de dood van Willem Duys

Ik heb Willem Duys nooit ontmoet. Maar het had wel gekund. Ik was 14 jaar oud toen wij voor het eerst gingen kamperen in Frankrijk. Het was een lange reis naar Vallon Pont D'Arc in de Ardeche. De camping was net een dag open en we waren met drie gezinnen neergestreken op de vrijwel nog maagdelijke camping. De campinghouder kwam langs en vroeg in het Frans of we 'glace' wilden. Mijn broer, die toen 16 was en al Frans op school had gehad, zei dat hij vroeg of we een ijsje wilden. Natuurlijk wilden we dat, want het warm daar in de nauwe rotsachtige engte waar de rivier zich doorheen kronkelde. De campinghouder trok een wat verbaasd gezicht toen we hem vertelden dat we 10 ijsjes wilden, maar vertrok richting winkel. Hij liet lang op zich wachten, maar na een half uur verscheen hij weer. Dit keer in een auto met aanhangwagen. Daarop stond een grote kist. Met een glunderend gezicht wees hij naar de kist en herhaalde 'dix glaces'.  We openden de kist en zagen - in plaats van lekkere waterijsjes - grote vierkante blokken ijs. Hij bleek een heuse vrieskist te hebben gebracht. Al lachend sjouwden we kist van de aanhanger in de schaduw onder de bomen.

Na een week wilden sommigen van de volwassenen naar huis bellen om te vertellen dat alles goed ging. Mobiele telefoons bestonden nog niet en ook de camping had geen telefoon waarmee je naar Nederland kon bellen. Dus gingen enkelen in de auto naar het postkantoor in het dorp. Na enkele uren kwamen ze terug. Het telefoneren was niet gelukt, maar ze hadden wel een echte Bekende Nederlander ontmoet; Willem Duys! En dat Willem heel gewoon was in het echt. En dat Willem van dichtbij niet zo fraai eruit zag als op televisie. En dat Willem ook zat te wachten op verbinding met het thuisland. En Willem dit en Willem dat. Kortom, het was een hele belevenis geweest daar in het postkantoor.

Willem Duys woonde in die tijd zomers in Frankrijk en blijkbaar was hij bij ons in de buurt. Op het postkantoor hadden ze verteld dat wellicht 's middags er wel verbinding met Nederland mogelijk zou zijn. En dus zou na de lunch er weer naar het dorp worden gegaan. Grote kans dat Willem Duys daar ook weer zou zijn. Er werd snel geïnventariseerd wie er allemaal meewilden om deze teeveepersoonlijkheid in levende lijve te aanschouwen. Ik dacht er slechts kort over na. Waarom 2 uur in een broeierig postkantoor vertoeven als je ook lekker in de stromende rivier kan zwemmen en spelen. De keus was snel gemaakt.

En zo liep ik mijn enige kans mis om Willem Duys in het echt te ontmoeten.