zaterdag 6 november 2010

Zuid Afrika 1996 (slot)

Slotakkoord

Na bijna zeven maanden terug naar Nederland, een onwezenlijke gedachte. In zeven maanden ook zeven bulletins geschreven voor het comité-vrienden-van-Rob, een ondertussen illuster gezelschap van vele tientallen mensen. Nu dan dus de laatste. Tijd dus ook om jullie te bedanken en met name degenen die de moeite hebben genomen om post en email te sturen of soms zelfs de telefoon te pakken. Zonder iemand te kort te willen doen wil ik met name Erik-Jan, Yves, Inge, Henk, Inge, Petra, Paul, Erik, Alfred en de collega’s van de bibliotheek, O&O en FEA bedanken.
Verder denk ik met plezier terug aan de ontmoetingen met Dick, Renée Nico, Jeanne, Johan, Willy en Marijke in Zuid-Afrika.
In deze lange rij van namen van collega’s ben ik er een vergeten. Ik heb zeven maanden met hem opgetrokken, gewerkt, gegeten, gelachen en gediscussieerd. Hij heeft de zeldzame kwaliteit altijd zichzelf te zijn en zijn mening te durven geven. Bedankt daarvoor Arie!
In deze zeven maanden heb ik in Zuid-Afrika met uiterst plezierige mensen kennisgemaakt. Ondanks dat het een lange rij van namen is wil ik ze toch noemen: Xola, Anesh, Peter en de andere collega’s van Planact, Fonny, Geert en Chris van Condev en Malcolm en Benoit van CRIAA. Mijn respect en dank gaat echter bovenal uit naar de mensen in Wattville: Vincent, Gladys, Sandile, Musa, Buti, Phumi, Justice en naar al die voor mij naamloze inwoners van Wattville en Tamboville die mij het besef hebben gegeven waar het in het leven werkelijk om gaat.
Misschien wordt mijn gevoel nog het beste uitgedrukt door het volgende Xhosa gezegde:
“Ubuntu ungamntu ngabanye abantu”.
Dit betekent in het Nederlands:
Mensen
Zijn mensen
Door andere mensen
In Zuid-Afrika ben ik pas echt gaan beseffen dat je pas een mens bent wanneer je rekening houdt met andere mensen.
Met plezier kijk ik terug op deze periode. Met plezier kijk ik ook vooruit. Met heel veel plezier heb ik deze bulletins geschreven, misschien wel meer voor mezelf dan voor jullie. Ik ben trots op mijn naam “Jabulani” en ik kijk er naar uit jullie weer te zien.
Zo ver weg en toch zo dichtbij, levend in één grote LAT-relatie, soms gezien te worden als baas boven baas, misschien nog steeds halverwege het begin, maar vasthoudend aan de droom en engelen van mensen te hebben ontmoet.
Vol “Thabo” en “Mandla”,
Rob

woensdag 27 oktober 2010

Zuid Afrika 1996 (38)

De wondere wereld van Zuid-Afrika

“Het is een gek land. Corrupte politici, een angstig makende gewelddadigheid en een mentaliteit waar een Calvinistisch opgevoede Nederlander moedeloos van wordt. Anderzijds sta je elke dag weer verbaasd van de levenslust van mensen, de wonderbaarlijke mix van nationaliteiten, rassen en culturen en het hoopgevende doorzettingsvermogen van de allerarmsten. Om eerlijk te zijn weet ik na zeven maanden nog steeds niet wat van Zuid-Afrika te moeten denken.”
Een interview met Rob is een mengeling van wonderlijke ervaringen die hij tijdens de zeven maanden in Zuid-Afrika heeft opgedaan. Alhoewel hij een financiële achtergrond heeft, geeft hij in zijn verhaal blijk dat hij eigenlijk meer is geïnteresseerd in mensen.
Wat was je mening over Zuid-Afrika voordat je hier in maart arriveerde?
Ik had me eigenlijk bewust geen mening gevormd. Toch heb ik mezelf regelmatig betrapt op het feit dat je in dit land in zwart en wit denkt. Dat is overigens niet zo gek wanneer je beseft dat er nog zo’n duidelijke scheiding tussen beide groepen is, zowel in het werk als in het wonen. Het vervelende is echter dat je het normaal gaat vinden en dat wanneer blanken en zwarten “gewoon” met elkaar omgaan, je dat gewone als bijzonder beschouwd.
Je kwam hier om de eerste woningcorporatie te assisteren. Is dat ook gelukt?
Assisteren is misschien wel het goede woord. Het is moeilijk om te bepalen of je iets hebt bereikt. Je moet allereerst wennen aan de cultuur, en dat went nooit echt, en vervolgens binnen die cultuur proberen gezamenlijk ideeën te ontwikkelen en uit te voeren. Een moeizaam proces waarbij de “successen” vaak relatief zijn. Het grootste probleem is aan mensen duidelijk te maken wat een woningcorporatie in Zuid-Afrika zou kunnen zijn.
Zou je een normale werkdag kunnen beschrijven?
Van de 214 dagen die ik hier mocht verblijven is er één normale werkdag geweest. Ik weet niet meer precies welke. Met andere woorden, elke dag is hier normaal en was voor mij soms abnormaal en vice versa.
Laat ik het dan anders formuleren. Welke eigenschappen heb je nodig om hier te kunnen werken?
Relativeringsvermogen, geduld, flexibiliteit, doorzettingsvermogen en humor. Kortom, allemaal zaken die je in elke advertentie voor een vacature vindt en waarover ik vanzelfsprekend in ruime mate beschik. Misschien dat geduld nog wel de belangrijkste eigenschap moet zijn.
Hoe beviel de samenwerking met je collega en je formele baas Arie?
Aangezien dit in Nederland wordt gepubliceerd kan ik niet anders dan beweren dat de samenwerking prima was en is. Dit is mijn antwoord voor de buitenwereld. Mijn echte antwoord is dat we prima hebben samengewerkt. Onze ideeën over wat er zou moeten gebeuren verschillen weinig. Het enige verschil dat we hebben is over het tempo waarin zaken moeten gebeuren. Dat heeft ook te maken met een verschil in karakter. Daarnaast heeft Arie veel meer ervaring wanneer er politieke motieven meespelen. Ik heb op dat gebied zeer veel van hem geleerd.
Uit je bulletins blijkt soms dat je je de afgelopen maanden eenzaam hebt gevoeld. Is dat ook zo?
Ja en nee. Toen ik hier naar toeging voor een periode van zeven maanden heb ik mij bewust voorgenomen om meer aandacht te schenken aan het onderhouden van de relaties in Nederland dan het opbouwen van sociale contacten hier. Dat was wellicht anders geweest wanneer ik hier voor langere tijd naar toe was gegaan. Daarnaast nodigt Johannesburg niet echt uit tot ‘s avonds uitgaan.
Dat de bulletins die indruk geven heeft mede te maken met het feit dat het veel leuker is om over ellendige dingen dan over leuke dingen te schrijven. Daarom gaf het bulletin over criminaliteit mij ook de meeste voldoening om te schrijven.
Vaak hoor je van mensen de opmerking: “Je moet er geweest zijn om er over te kunnen oordelen.” Geldt dat ook voor Zuid-Afrika?
Nee, dat geldt volgens mij niet. Ik zou het namelijk sterker willen formuleren. Het klinkt misschien arrogant maar ik denk dat je er moet hebben gewerkt voordat je er over kan oordelen. Gesprekken met mensen en townships bezoeken is belangrijk, maar wanneer je hier werkt besef je pas werkelijk hoe een land en een cultuur in elkaar steken. Zuid-Afrika wekt soms de indruk van een goed georganiseerd land, soms weer van de volslagen anarchie. Pas als je hier een tijd hebt gewerkt weet je een beetje hoe mensen, gemeenschappen en organisaties met elkaar omgaan.
Kun je daarover iets duidelijker zijn?
Duidelijk zijn over een situatie die zweeft tussen orde en wanorde is moeilijk. Ik denk dat veel te maken heeft met de huidige politieke situatie in dit land. De huidige politieke leiders zijn de verzetsstrijders van een paar jaar geleden. Al eerder heb ik geschreven dat het niet eenvoudig is om te schakelen van strijder tegen de belabberde woontoestanden naar verantwoordelijk zijn voor de woontoestanden. Daarin maken politici soms gruwelijke fouten. Daarnaast geldt dat zowel de blanke als de zwarte bevolking moet wennen aan hun nieuwe status. De geest van de apartheid waart nog rond en zo lang dat het geval is, zullen vele zaken worden getolereerd. Anderzijds neemt de druk vanuit het buitenland toe om een veel zakelijker aanpak te kiezen. Dat betekent dat men hinkt op twee gedachten. Het is heel duidelijk te merken bij het volkshuisvestingsbeleid. Als je als overheid enerzijds vindt dat huisvesting een sociaal goed is, maar anderzijds vindt dat de markt de woningen moet produceren via een democratisch proces, dan weet je dat zaken spaak lopen. Dat merk je pas aan den lijve als je hier werkt.
Met welk gevoel ga je nu weg uit Zuid-Afrika?
Met een heel dubbel gevoel. En dat gevoel wordt alleen maar sterker nu het moment van vertrek dichterbij komt. Ik verheug mij op het zien van vrienden, familie en collega’s. Het in de kroeg een biertje drinken, de Amsterdamse humor en de wetenschap dat ik terug ga naar een land waar ik me veilig en vertrouwd voel.
Ik verlaat echter met weemoed dit land. Het feit dat ik niet de mogelijkheid heb gehad om meer te doen voor de mensen in Wattville is daarbij het belangrijkste. Ik heb verschrikkelijk veel geleerd, veel unieke mensen ontmoet en een grote verscheidenheid aan ervaringen opgedaan. Het meest triest word ik echter van het feit dat ik mensen achterlaat die letterlijk hun hoop op mijn aanwezigheid hebben gevestigd. Mensen waar ik veel van heb geleerd. Hun levensvreugd, hun doorzettingsvermogen en hun saamhorigheid zijn om stil van te worden. Wat hebben wij Nederlanders dan toch afgeleerd om onze emoties te tonen. De opofferingsgezindheid en het klaar staan voor anderen is soms verbijsterend. Mijn respect voor de mensen in Wattville is groot, zeker wanneer je bedenkt dat men niet in wrok omkijkt naar het verleden, maar samen met de blanke bevolking aan de toekomst wil werken. Ik zal dit land en haar mensen zeer missen.
Wat zijn nu je toekomstplannen?
Ik heb daar wel ideeën over, maar dat zal mede afhangen van de organisatie waar ik voor werk. Het bedrijf heeft me deze unieke kans geboden en ik zou graag mijn opgedane ervaringen verder willen gebruiken. Hoe en op welke manier weet ik nog niet, maar voor mij eindigt Zuid-Afrika niet op Schiphol.

dinsdag 19 oktober 2010

Muziek en vrienden (17)

16. Ordinary Man – Christy Moore

Het jaar ben ik vergeten, maar de plaats niet. Het zijn de Veemarkthallen in Zwolle. Samen met Andrė Paymans zijn we bij een soort Ierse Landdag in deze, nog vaag naar koeiemest ruikende, hal. We drinken natuurlijk Jameson Whiskey – waar ik in 2006 nog een officiële oorkonde in Dublin voor whiskyproeven verkrijg – en luisteren naar de vele Folkmuziek. Hoogtepunt is het optreden van een wat kalende man die solo en gekleed in het zwart het podium betreedt. Zijn naam is Christy Moore. Zijn stem is betoverend. Zelden heb ik tussen honderden mensen stil geluisterd naar prachtige liedjes. ’s Avonds mag ik terugrijden naar Diemen. Mijn eerste autorit na het halen van mijn rijbewijs in Canada. Ik heb zeker twee jaar niet achter het stuur gezeten, dus ik voel me wat nerveus. Zeker in de Fiat Panda, waar ik net in pas. Tot overmaat van ramp is het zeer mistig geworden op de weg en rij ik dus met meer dan gematigde snelheid richting het westen.
De volgende dag koop ik een elpee van deze Ierse troubadour. Verreweg het mooiste nummer is Ordinary Man, een aanklacht tegen het grootkapitaal en de troosteloosheid van het arbeidersbestaan. Pas veel later – in 2006 – hoor ik op de cd van een live-optreden dat dit geschreven is tijdens de Thatcher-jaren.
Door Christy Moore heb ik ooit in Galway een Bodrum gekocht, een Ierse handtrommel, waar ik nog steeds op moet leren spelen. Christy Moore is wat mij betreft een van de mooiste stemmen in de muziek. Zelfs in de Veemarkthallen van Zwolle.

donderdag 7 oktober 2010

Top 10: Lelijkste sporttrofeeën

Wat is de lelijkste sporttrofee die je kan winnen? Een persoonlijke Top-10.

10. De Fifa Worldcup
Tja, het is niet anders, maar de voetbalcup is niet eens een cup. Het is een beeldje dat wat lelijk uit de oven is gekomen. Daarnaast is het formaat ook nog eens benedenmaats. Anders werd-ie waarschijnlijk te duur.


9. De Masters
Deze is heel bijzonder, want het is niet eens een trofee. Het is een jasje. En nog een lelijk jasje ook. Een gifgroen jasje dat je kan winnen met het spelen van vier dagen golf in Augusta, Georgia. Het golftoernooi is prachtig, maar de trofee is matig. En je mag het jasje niet eens mee naar huis nemen. Het moet keurig in het clubhuis blijven hangen.










8. De Worldcup skiën
Het is logisch dat als je de beste skiër wilt belonen, dat je geen cup van metaal geeft. Daar vriezen tenslotte je vingers aan vast of, erger nog, je lippen als je van gelukzaligheid besluit het ding te kussen. Maar om nu een glazen bol te geven is het andere uiterste. Het ding heet weliswaar de 'kristallen globe', maar je moet toch echt je best doen om de associatie met skiën te maken. En echt mooi op de schoorsteen staat-ie ook niet.



7. Superbowl Trofee
Een echte mannesport, althans dat vinden ze in Amerika. Rugbyspelers vinden het maar aanstellerij, met al die beschermende kleding. Een seizoen in American Football duurt maar liefst 13 wedstrijden, dus dat is ook al niet echt veel. En dan, als je de meest prestieuze wedstrijd, de Superbowl hebt gewonnen, krijg je de bal als trofee. Een beetje kitsch, toch?






6. NBA Trofee
En als je de ene Amerikaanse topsport hebt gehad, dan mag een andere Amerikaanse topsport niet achterblijven. Alsof ze bij elkaar hebben afgekeken. De NBA, ofwel National Basketball Association, heeft wellicht haar trofee in dezelfde winkel ingekocht als de footballers. Alleen moest het dit keer wel goud zijn. En de bal mocht er niet vanaf rollen, dus een beetje dikke lasnaad graag. Kortom, prachtig in wanstaltigheid.




5. WTA Cincinnati
Tennis heeft wellicht de dubieuze eer om met veel onooglijke trofeeën tevoorschijn te komen. Het kostte enige moeite om een van de meest lelijke eruit te halen, maar het toernooi in Cincinnati scoort wat mij betreft hoge ogen. Is het een beker? Is het een vaas? Is het een wijnkruik? Geen idee, maar er klopt iets niet. En het is niet alleen de kleur. Roger Federer lijkt er erg gelukkig mee (denk ik).





4. Stanley Cup
En weer een Noord-Amerikaanse sport die hoog scoort in lelijkheid. Dit keer is het ijshockey, of, zoals het daar noemen, Hockey. Want hockey op gras, dat is voor mietjes. Bovendien is er maar heel kort gras in Canada, waar het hockey op ijs natuurlijk volksport is. Ooit zag ik the Great Gretzky live spelen in Edmonton. En ze wonnen dat jaar ook nog de Stanley Cup. De enige beker waarvan de sokkel vele malen groter is  
dan de cup, waardoor je steeds de neiging hebt de beker om te draaien.






3. World Series Baseball
Maar het kan nog erger. De vierde grote sport in Amerika heeft een trofee bedacht die je zelfs je ergste vijanden niet gunt. Baseball of, in gewoon Nederlands, honkbal gunt haar beste ploeg een soort cocktailprikkers trofee. Doet het waarschijnlijk leuk bij de borrelhap. En dan durven de Amerikanen natuurlijk ook nog te zeggen dat het de Wereldkampioenschappen zijn. De gotspe! Een terechte derde plaats in deze lijst.




2. The Ashes
Soms droom je als kind dat je later een beroemde sporter wordt en een heuse beker wint. Dat zullen sommige kinderen in Engeland en Australië wellicht ook dromen, maar dan dromen ze niet van The Ashes. Deze wedstrijd over vijf zogenaamde testmatches gaat over het edele spel cricket, voor buitenstaanders een van de meest onbegrijpelijke sporten ter wereld. Soms duurt een wedstrijd meerdere dagen, waarbij er steevast tussendoor thee wordt gedronken. Je merkt het al, een echte topsport. Sinds 1882 wordt er gestreden tussen Engeland en Australië om de kleinste trofee ter wereld. Het is een wonder dat Theo Maassen deze beker nog niet heeft gejat, want hij kan zo in je binnenzak mee.


1. DLF Cup
Hier volstaat eigenlijk alleen de foto. Het gaat wederom om cricket. Nu tussen India en Pakistan. Waar we net de kleinste beker mochten bewonderen, is de denk ik de grootste. Maar ja, hij wordt ook door een rijke oliebaron gesponsord. Dan krijg je ook iets moois voor op het nachtkastje. Ook iets om van te dromen? Waarschijnlijk nachtmerries.

donderdag 30 september 2010

Zuid Afrika 1996 (37)

De gekke buurman

Robje en de gekke buurman. Het was een warme dag hetgeen opvallend was, want de winter in Johannesburg geeft vaak weinig warme dagen te zien. Kan dat eigenlijk wel, een warme dag zien? Zou dat niet voelen moeten zijn of beleven? Maar als ik beleven schrijf dan denken jullie misschien dat ik toch van de Sociale Academie kom. En dat zou een best wel vervelende constatering zijn, waardoor ik misschien wel een beetje down zou kunnen raken.
Robje en de gekke buurman. Het weer deed er eigenlijk niet toe (maar het was warm). Nadat ik mijn twee keukendeuren had ontsloten liep ik naar buiten. Ja, ik heb twee keukendeuren. De een is van hout en de ander is van ijzer in de vorm van tralies. Nadat ik een van deuren weer op slot heb gedaan loop ik de brandtrap af. Inderdaad, ik ga via de achterdeur mijn appartement uit. Ik heb wel een voordeur, maar dan moet ik drie sloten ontgrendelen. En dan te bedenken dat ik niet eens een slot op het traliewerk voor mijn voordeur heb. Bovendien hebben jullie tevens kunnen concluderen dat ik niet op de begane grond woon.
Robje en de gekke buurman. Het is niet koud en ik loop de trap af. Beneden staat mijn benedenbuurman. Ik verkeer in de gelukkige omstandigheid dat ik meerdere buren heb. Naast me (rechts als ik de keukendeur uitstap), boven me (de huisbewaarder Fibian) en onder me. Alleen links naast me heb ik geen buurman (wat een geluk). De benedenbuurman dus. Hij is een wat oudere blanke man die geheel alleen woont. Dat laatste weet ik niet helemaal zeker, want ik heb hem nog nooit gesproken en bovendien ben ik nooit bij hem binnen geweest. Hij zou best een verdroogd oud vrouwtje kunnen hebben dat niet meer naar buiten mag of kan. Door vergelijking met mezelf heb ik echter wel kunnen vaststellen dat hij oud en blank is.
Robje en de gekke buurman. Het weer is nog steeds niet onaardig voor de tijd van het jaar en ik ben ondertussen op de begane grond aanbeland en wordt aangesproken door de daar bivakkerende buurman. Hij vraagt of ik boven hem woon. Nog niet beseffend dat de man gek is, antwoord ik bevestigend. Vervolgens vraagt hij of ik recht boven hem woon. Wederom moet ik dit met “Yes” beantwoorden. Hij is echter nog niet klaar met het vaststellen van mijn identiteit en vervolgt met de vraag of ik “de Nederlander” ben. Dit is een minder gemakkelijke vraag en ik moet even nadenken voordat ik hierop een ja uit mijn mond kan laten rollen. Bedoelt hij te vragen of ik de enige Nederlander ben die in het complex woont of gebruikt hij mij als lichtend voorbeeld van de 15 miljoen mensen op dat hele kleine stukje aarde? Als dat laatste het geval is heb ik geen enkele moeite de mondhoeken te krullen en voor de derde maal een “yes” door het appartementencomplex te laten schallen. Als hij per ongeluk het eerste bedoelt, gok ik maar dat daarop hetzelfde antwoord van toepassing is.
Robje en de gekke buurman. Nu zowel ik als mijn buurman beseffen dat we een en dezelfde persoon voor ons hebben, dat wil zeggen dat hij gek is en ik een Nederlander die boven hem woont, kan niets meer een onaangenaam verpozen in de weg staan. Zo geschiedt. Ik word beschuldigd van geluidsoverlast. Nu ben ik in mijn nog jonge bestaan reeds twee keer met deze beschuldiging geconfronteerd, waarbij wonderbaarlijk genoeg beide malen sprake was van politieagenten, overigens zonder vervelende gevolgen. De buurman begint een heuse litanie over mijn gedrag. Hij beweert dat ik een ijzeren bal laat stuiteren op de vloer en dat ik hem “achtervolg” wanneer hij naar een andere kamer verhuist. Hij schijnt nu ook in een andere kamer te slapen. Daarnaast schijn ik een bierfles aan een touw tegen zijn ramen te laten stuiteren. En dan te bedenken dat ik mijn bier in dit land alleen uit blik drink. Ik probeer uit te leggen dat ik geheel onschuldig ben, maar hij gelooft mij absoluut niet. Als ik vertel dat ook ik geluiden van boven hoor - zoals eerder vermeld woont boven mij de huisbewaarder met zijn vriendin en haar twee kinderen - denkt mijn benedenbuurman dat ik gek ben. Na een half uur ben ik het gesprek zat en zijn al mijn argumenten opgelost in ongeloof. Ik groet de man beleefd en ga aan het werk.
Robje en de gekke buurman. Het is avond en koud. Ik doe mijn vaste dutje op de bank (ik ben nu reeds 37 jaar oud) en wordt opgeschrikt door een geluid boven mij wat sterk lijkt op een ijzeren bal die stuitert op een stenen vloer. Ik wrijf de slaap uit mijn ogen en word opnieuw opgeschrikt. Dit keer is het de intercom. Ik neem de hoorn van de haak en hoor het hysterische stemgeluid van mijn onderbuurman. Hij schreeuwt de volgende woorden: “I heard you and I got the law on you! You try to pester me.” Ik stamel terug dat ik het echt niet heb gedaan, maar de beste man heeft reeds opgehangen. Ik besluit maar eens te gaan praten met de huisbewaarder Fibian. Als ik hem inlicht over de aantijgingen van mijn onderbuurman begint hij te lachen. “He’s crazy”, zegt hij en hij klaagt over alles en iedereen. Enigszins gerustgesteld keer ik terug in mijn appartement. Toch slaap ik die nacht onrustig en droom van een kleine (want dat is hij ook nog) oude man met een pistool in zijn hand. Zwetend word ik wakker.
De gekke buurman en Robje. Er zijn maanden gepasseerd in gepaste rust. Geen verdere aantijgingen, geen pistolen, geen moeilijke gesprekken. Tot vorige week. Ik passeer zijn appartement op weg naar boven. Hij ziet me en spreekt me aan. Nog steeds schijnt hij last te hebben van geluiden van boven en nog steeds ziet hij mij als hoofdschuldige. Wederom ontken ik alles en neem snel afscheid. De volgende dag echter is het weer raak. Ik sta reeds boven en probeer mijn keukendeur te ontsluiten. Hij staat beneden en begint tegen me te praten. “Sir, why can’t we be friends?” Ik antwoord dat ik best vrienden wil zijn, maar er niet van hou om van dingen te worden beschuldigd die ik niet doe. Ik wacht niet op zijn antwoord en stap naar binnen.
Robje en de gekke buurman (slot). Vandaag (23 augustus) kom ik laat in de middag thuis. In het voorbijgaan groet ik mijn buurman. Hij groet mij vriendelijk terug. Is hij nou helemaal gek geworden? Hij hoort mij niet te groeten. Blijkbaar is hij van tactiek veranderd en probeert nu vriendelijk te doen. Ach, het zal wel een paranoïde, zielige, oude man zijn. En met deze, ook voor mij bevredigende conclusie, loop ik door naar boven.

woensdag 8 september 2010

Een deuk oplopen

De afgelopen week was een rare week. Een week waarin je zo maar zou denken dat toeval niet bestaat. En een week waarin je alleen maar hoopt dat - als er iemand is die over ons waakt - die iemand even was ingedommeld.
Afgelopen vrijdag 3 september kwamen de boodschappen stuk voor stuk hard binnen. Nadat al drie collega's binnen een week hun moeder hadden verloren, was daar plotseling de bizarre tijding dat de jongste zoon van een zeer goede collega een herseninfarct had gehad. Slechts 32 jaar en net vader geworden. Even later blijkt dat een andere collega plotsklaps is overleden, nadat hij twee dagen ervoor nog op ons kantoor rondliep. En het hield niet op die dag. Een net begonnen trainee krijgt een telefoontje van haar zuster die ineens naar het ziekenhuis moet. Het ruist in mijn hoofd en al het dagelijkse wordt relatief. En dat op de dag dat vier jaar geleden Pauline overleed, de vrouw van een van beste vrienden. Die vrijdag rij ik bewust rustig naar huis.

Maandagochtend. Nog maar een paar minuten binnen en het slechte nieuws gaat door. Ferry heeft het niet gered. Het herseninfarct is fataal gebleken. Ik vloek hardop.

Een dag later en de regen valt gestaag naar omlaag. Ik ben te laat op en zie op teletekst dat Nederland vol staat met auto's. Tegen de lunch stap ik naar buiten om naar het werk te gaan. Op straat ligt achter mijn auto een strip. Blijkbaar van een andere auto en ik loop naar de vuilnisbak en gooi het weg. Ik stap in en start de motor. In mijn rechterooghoek zie ik dat de spiegel niet uitklapt. Ook dat nog. Ik stap weer de regen in om te kijken wat er aan de hand is. Dan zie ik waar de strip vandaan komt. Van mijn eigen auto. De rechterdeur is zwaar gedeukt en beschadigd. Weer ontsnapt een vloek aan mijn mond. Een auto is gewoon in mijn geparkeerde auto gereden! Natuurlijk is er geen briefje te zien. Ik haal de strip uit de vuilnisbak en gooi in de achterbak. Op naar het werk.
's Avonds kijk ik naar Pauw & Witteman en hoor Bart Chabot vertellen dat het niet goed met hem gaat. Op bijna nuchtere toon vertelt hij dat hij een goedaardige tumor in zijn hersenen heeft en dat hij nu twee keuzes heeft, waarbij het risico bij beide keuzes groot is. Het is verbijsterend.

Deze afgelopen week was een rare week. Een week waarin veel mensen een deuk hebben opgelopen. En dan is die in mijn auto verreweg de minst belangrijke....

zaterdag 4 september 2010

Muziek en vrienden (16)

15. When Jesus left Birmingham – John Cougar Mellencamp


We zitten in het congresgebouw in Den Haag, een wat vreemde lokatie voor een popconcert. En toch zijn we hier voor een concert van John Cougar Mellencamp. Nu is het heel gebruikelijk om in een zaal te zitten en te luisteren naar een popconcert, zoals Jackson Browne of Richard Marx. Maar ja, dat zijn ook rustige muzikanten en die vragen om een rustig publiek. Overigens werden we bij Richard Marx erg onrustig van het voorprogramma, de Yellow Jackets. Vooral toen een van de ‘gele jasjes’ een electronische saxofoon ging bespelen of, zoals Renė het zei: een gek geworden Japanner.
Maar om nou rustig in roodpluchen stoelen naar John Cougar Mellencamp te luisteren is bizar. En dat vonden wij niet alleen, maar de hele zaal. Al bij de eerste tonen van het concert stond iedereen op en het hele concert is ook niemand meer gaan zitten. Het is moeilijk uit je dak gaan tussen de klapstoelen, maar het concert was er wel naar. Dat zo’n klein mannetje – want dat is John Mellencamp – zo’n enorme stem heeft en zo tekeer kan gaan. Zijn tophit toen was ‘Paper in fire’, maar ik heb een ander nummer uitgezocht. Een nummer die hij waarschijnlijk die avond niet heeft gespeeld, althans ik kan het mij niet herinneren. Maar ‘When Jesus left Birmingham’ is wel een geweldig nummer. Waarschijnlijk een cover van een oude ‘spiritual’, maar met een opzwepend ritme en geweldige zang. Een nummer dat veel met me doet, omdat het bij mij associaties brengt aan de negerbeweging in Amerika. En gek genoeg doet het mij denken aan de speech van Martin Luther King, waarbij ik elke keer dat ik die speech hoor, rillingen krijg. Die associatie is alleen maar groter geworden toen ik een paar jaar geleden in november door de Zuidelijke staten van Amerika reisde. In Memphis bezocht ik de plek waar Martin Luther King is vermoord – het Lorraine Motel – en waar nu het National Civil Rights Museum is gevestigd. Een van de meest indrukwekkende plekken waar ik ben geweest. Maar ook rijdend op de kaarsrechte route #66 naar het zuiden van Mississippi, door de toen kaalgeplukte katoenvelden onder een grijszwarte lucht, en waar de Blues nog doordreunt in de aarde, komt door dit nummer bij me boven. Ik neem bijna elke vakantie een CD van John Cougar Mellencamp mee, omdat het in mijn ogen een van de meest eerlijke muziek is.