Absurdistisch. Dat is het enige woord waarmee deze tekst kan beginnen. Ik ken het woord pas sinds het begin van jaren zeventig van de vorige eeuw. Misschien is het woord absurdistisch toen pas uitgevonden. Wellicht al eerder, want het is woord dat hoort bij de humor van Monty Python, een voornamelijk Brits schrijverscollectief die eind jaren zestig van de BBC de mogelijkheid kreeg om 12 afleveringen te maken voor de televisie. In het begin keken er slechts weinig mensen naar, ook in Groot Brittanië. Maar toen de serie werd herhaald, werden ze een enorm succes. Ook in Nederland werden ze uitgezonden door de VPRO. Het was rare televisie, met vreemde, niet te volgen overgangen tussen totaal verschillende scenes. Maar het vooral enorm grappig. Monty Python werd een begrip en ze gingen ook films maken, zoals Monty Python and the Holy Grail. Het succes duurde voort en ook de individuele leden van de groep waren ieder voor zich succesvol. John Cleese in Fawlty Towers, Michael Palin in films en documentaires en Terry Gilliam als regisseur van Time Bandits en Brazil!
Meer dan veertig jaar later is er nu Spamalot, een musical die - zoals de makers zelf zeggen - losjes gebaseerd is op de film The Holy Grail. We zitten op rij 8 in het Koninklijk Theater Carré, dat slechts voor de helft is gevuld. Absurd!
De musical is geweldig, van begin tot eind. Het is enerzijds de ultieme persiflage van een musical en anderzijds een feest der herkenning voor Python-liefhebbers. Bijzonder is dat de Engelse humor geweldig is vertaald naar Nederlandse humor. De beste rol wordt gespeeld door Nordin de Moor, een Vlaamse acteur die Patsy speelt, de met kokosnoten-paard-naspelende begeleider van King Arthur. Zelfs als hij aan de zijkant van het toneel staat, blijft hij de aandacht trekken met geweldige gezichtsuitdrukkingen die mij spontaan in Carré laten bulderen van het lachen.
Dit is dus een lovende recensie van een musical. Op zich al te absurd voor woorden. Maar gaat dat zien!
Meer info op: http://www.spamalotdemusical.nl/
zaterdag 21 mei 2011
vrijdag 20 mei 2011
Brand rondvaartboot bij Carré
Een doodgewone donderdagavond in Amsterdam. Lekker gegeten in Quartier Latin in de Utrechtsestraat en vervolgens naar theater Carré voor een voorstelling van Spamalot (waarover later meer). Ik maak mijn fiets vast aan de brug aan de Amstel en loop met twee vrienden het theater in.
Na afloop besluiten we nog een biertje te gaan drinken in de Sarphatistraat. Het café is niet erg gevuld en wellicht komt dat door de twee muzikanten die wanhopig proberen een versie van Brown Sugar van de Rolling Stones uit hun instrumenten te persen. Luisteren heeft geen zin, dus praten we nog wat na over de voorstelling. Plotsklaps schieten twee brandweerauto's met luide sirenes langs ons raam. Er zal wel ergens een fikkie zijn in de stad. We praten weer rustig door, totdat de vrienden weg moeten om hun treinen te halen naar Almere en Den Dolder.
Ik loop terug naar mijn fiets bij Carré. In de verte voor me zie ik auto's met zwaailichten. Het lijken wel de brandweerauto's en ze lijken vlak voor Carré te staan. Het theater zal toch niet in de hens zijn gevlogen? Dat blijkt gelukkig niet zo te zijn als ik bij Carré aankom. Ik passeer een brandweerauto en wil verder lopen naar de brug waar ik mijn fiets aan vast heb gemaakt, maar de weg wordt geblokkeerd door een rood-wit gestreept lint. Daarachter staat een dienstdoende agente. Ik vraag haar of ik naar mijn fiets mag die even verder staat. 'Helaas mijnheer, dat kan nu niet.' Ik vraag haar wat er aan de hand is en hoor dat er een woonboot in brand staat. Als ik langs haar kijk, zie ik dat er nog een brandweerauto staat en veel zwaar uitgedoste brandweerlieden, vlak bij de plek waar mijn fiets is. Althans, als-ie er nog is.
Ondertussen komen meerdere mensen aanfietsen over de kade. Sommigen doen net of ze het lint over de weg niet zien en willen er onder door. De agente spreekt ze kordaat aan en zegt dat ze om moeten fietsen. Ik kijk met enige verbazing naar de reacties van sommigen, zoals die van de fietser die, terwijl hij bukt om onder het lint door te komen, even later met droge ogen beweert dat hij het lint niet heeft gezien. Mooi staaltje acteerwerk en dat vlak voor Carré!
Ik vraag beleefd aan de agente of ik een sigaret mag opsteken. Je weet tenslotte nooit of je voor pyromaan wordt aangezien. Het mag en ik wacht rustig af, ondertussen fungerend als plaatsvervangend bewaker van het rood-witte lint en mensen terugsturend op hun fiets.
Een fietser meldt dat hij de eigenaar van de boot is. 'Dat is gek', zegt een andere agent, 'die is er al.' Later blijkt dat het om de kapitein gaat en dat de fietser de werkelijke eigenaar is. Toch moet ook hij wachten. 'U kunt nu toch niets doen en over vijf minuten is de schade net zo groot', spreekt de agent hem geruststellend toe, maar waarschijnlijk het tegenovergestelde effect bereikend.
Als er na twintig minuten fietsers van de andere kant onder het lint doorkomen, beseft mijn agente dat ze ook mij niet meer tegen kan houden. Ze complimenteert mij nog met mijn geciviliseerde gedrag: 'U verdient een pluim meneer. Was iedereen maar zo.' Ik bedank haar en loop glimlachend naar mijn fiets. Die staat nog onbeschadigd aan de brug. Ik stap op en rij naar huis. Pas een dag later lees ik dat het om een electrische rondvaartboot van rederij 't Smidtje ging waarbij kortsluiting is ontstaan.
Na afloop besluiten we nog een biertje te gaan drinken in de Sarphatistraat. Het café is niet erg gevuld en wellicht komt dat door de twee muzikanten die wanhopig proberen een versie van Brown Sugar van de Rolling Stones uit hun instrumenten te persen. Luisteren heeft geen zin, dus praten we nog wat na over de voorstelling. Plotsklaps schieten twee brandweerauto's met luide sirenes langs ons raam. Er zal wel ergens een fikkie zijn in de stad. We praten weer rustig door, totdat de vrienden weg moeten om hun treinen te halen naar Almere en Den Dolder.
Ik loop terug naar mijn fiets bij Carré. In de verte voor me zie ik auto's met zwaailichten. Het lijken wel de brandweerauto's en ze lijken vlak voor Carré te staan. Het theater zal toch niet in de hens zijn gevlogen? Dat blijkt gelukkig niet zo te zijn als ik bij Carré aankom. Ik passeer een brandweerauto en wil verder lopen naar de brug waar ik mijn fiets aan vast heb gemaakt, maar de weg wordt geblokkeerd door een rood-wit gestreept lint. Daarachter staat een dienstdoende agente. Ik vraag haar of ik naar mijn fiets mag die even verder staat. 'Helaas mijnheer, dat kan nu niet.' Ik vraag haar wat er aan de hand is en hoor dat er een woonboot in brand staat. Als ik langs haar kijk, zie ik dat er nog een brandweerauto staat en veel zwaar uitgedoste brandweerlieden, vlak bij de plek waar mijn fiets is. Althans, als-ie er nog is.
Ondertussen komen meerdere mensen aanfietsen over de kade. Sommigen doen net of ze het lint over de weg niet zien en willen er onder door. De agente spreekt ze kordaat aan en zegt dat ze om moeten fietsen. Ik kijk met enige verbazing naar de reacties van sommigen, zoals die van de fietser die, terwijl hij bukt om onder het lint door te komen, even later met droge ogen beweert dat hij het lint niet heeft gezien. Mooi staaltje acteerwerk en dat vlak voor Carré!
Ik vraag beleefd aan de agente of ik een sigaret mag opsteken. Je weet tenslotte nooit of je voor pyromaan wordt aangezien. Het mag en ik wacht rustig af, ondertussen fungerend als plaatsvervangend bewaker van het rood-witte lint en mensen terugsturend op hun fiets.
Een fietser meldt dat hij de eigenaar van de boot is. 'Dat is gek', zegt een andere agent, 'die is er al.' Later blijkt dat het om de kapitein gaat en dat de fietser de werkelijke eigenaar is. Toch moet ook hij wachten. 'U kunt nu toch niets doen en over vijf minuten is de schade net zo groot', spreekt de agent hem geruststellend toe, maar waarschijnlijk het tegenovergestelde effect bereikend.
Als er na twintig minuten fietsers van de andere kant onder het lint doorkomen, beseft mijn agente dat ze ook mij niet meer tegen kan houden. Ze complimenteert mij nog met mijn geciviliseerde gedrag: 'U verdient een pluim meneer. Was iedereen maar zo.' Ik bedank haar en loop glimlachend naar mijn fiets. Die staat nog onbeschadigd aan de brug. Ik stap op en rij naar huis. Pas een dag later lees ik dat het om een electrische rondvaartboot van rederij 't Smidtje ging waarbij kortsluiting is ontstaan.
maandag 16 mei 2011
Ajax kampioen 2011
Vandaag is Ajax kampioen van Nederland geworden. Voor de dertigste keer maar liefst en na een zinderende - zo heet dat toch in het jargon - finale tegen haar tegenstrever en tevens titelpretendent FC Twente. Deze wedstrijd volgde ik vooral via Twitter en zag het wedstrijdverloop langs mij scrollen.
In 1970 was ik vaak in het stadion van Ajax, toen nog in De Meer. Daar stond ik als jongetje van 10 jaar oud met mijn oudere broer en twee vriendjes vaak bij thuiswedstrijden. Een kaartje kostte toen 50 cent en later maar liefst een hele gulden. We stonden in vak G aan de Diemenzijde, vlak naast de toen nog niet zo beruchte F-Side. Ook dat jaar werd Ajax kampioen, toen voor de 14e keer en voor de 6e keer na invoering van het betaald voetbal.
Wat herinner ik me nog uit die tijd? We liepen om 12 uur naar het stadion, zo'n kwartiertje lopen, om in een lange rij voor het hek te staan om kaartjes te bemachtigen. Je moest je hoofd in een klein verkoophokje steken en als je niet oppaste werd je door de dringende mensen achter je bijna onthoofd. Dan weer naar huis, om twee uur later weer naar het stadion te lopen. Je passeerde het eindpunt van lijn 9 en liep door de vele mensen richting de tribune. Daar probeerden we zo dicht mogelijk bij het hek te komen, maar niet er tegenaan, want dan kon je platgedrukt worden. Op de tribune stonden her en der nog wat hekjes waar je tegenaan kon hangen. Ons vak was schuin achter een van de doelen en van daaruit volgden wij de wedstrijden tegen NEC, GVAV, DOS en Haarlem. Na de wedstrijd gingen we vaak bij de uitgang van kleedkamers staan om handtekeningen aan de spelers te vragen. Zo kreeg ik mijn boekje vol met het 'gouden Ajax'; Johan Cruijff, Piet Keizer, Sjakie Swart, Barry Hulshoff, Ruud Krol en Wim Suurbier. Maar ook vroegen we de handtekeningen van de tegenstanders, al wist ik vaak niet hoe ze heten. Mijn vriendjes wezen dan aan naar wie ik toe moest gaan. Ik vroeg keurig een handtekening en daarna hoe ze heetten. Dat laatste bracht soms wel een teleurstellende blik op het gezicht van deze semi-profs uit de lagere regionen van het betaald voetbal.
Een keer was ik aanwezig bij een kampioenswedstrijd. Dat was in 1991 in het Olympisch Stadion tegen Vitesse. Ajax deed wat het moest doen, namelijk winnen door doelpunten van Dennis Bergkamp, John van de Brom (in eigen doel) en Michel Kreek. Helaas won PSV ook die dag en werd op doelsaldo kampioen.
Maar het meest treurige Ajax-moment was de afscheidswedstrijd van Johan Cruijff. Op een regenachtige novemberavond reed ik op de fiets naar het Olympisch Stadion waar Bayern München de tegenstander was. Het weer was triest en ook de wedstrijd. De Duitsers hadden geen zin om er een vriendschappelijke wedstrijd van te maken en de Ajax-spelers geen zin om er een wedstrijd van te maken. Uiteindelijk werd de uitslag 0-8, waarbij er nog 3 doelpunten van de gehate Duitsers werden afgekeurd.
Maar nu is mijn jeugdcluppie weer kampioen! Met een beetje mazzel (dat wel), maar ook met gogme. Het blijft toch de 'mooiste club van allemaal'!
vrijdag 8 april 2011
Roubaix
Je moet niet aan me vragen om Roubaix op de kaart aan te wijzen. Deze kleine stad van 100.000 inwoners heeft denk ik ook weinig te bieden aan toeristen. Het is ooit heel even van ons Nederlanders geweest. Vanaf 1708 mochten wij er zes jaar van genieten en heette de stad Robaais. Toen kwam de Vrede van Utrecht en werd de stad van Frankrijk.
Parijs-Roubaix kent markante winnaars. Vaak zijn het bonkige, knoestige renners, die het dokkeren over de slecht liggende stenen met hun lichaamskracht kunnen opvangen. Die na het vallen gewoon opstaan en verder gaan. Het is geen koers voor 'flyers', lichtvoetige en ranke wielrenners.
En dan mogen de renners naar de douches, de beroemste douches uit het wielrennen. Waar de kale hokjes de namen van vergeten renners dragen. Ach, Parijs-Roubaix is gewoon de mooiste koers in het jaar! Zondag 10 april is het weer genieten.
Roubaix komt één keer per jaar echt in het nieuws. Dan eindigt de mooiste wielerklassieker in het kleine Velodrome in de stad na een tocht van 258 kilometer vanaf de noordkant van Parijs. Het parcours is relatief vlak en gaat door een relatief onooglijk landschap waar hier en daar nog de restanten van mijnschachten en oude textielfabrieken staan. Het parcours lijkt vlak, maar is het niet. Meer dan twintig procent van het wegdek is verre van vlak. Het zijn de vermaledijde kasseien die deze koers zo zwaar en tegelijk zo mooi maken. Als het guur regenachtig voorjaarsweer is, vormen de stenen een verradelijk glimmende modderige ondergrond voor de dunne tubes van de renners. Bij winderig droog weer waaien stoffige wolken over het land en zie je tussen de kasseistroken de renners wanhopig van waaier naar waaier manoevreren.
Parijs-Roubaix is de koers van de eenling. Ploegentactiek is bijna onmogelijk. Knechten proberen hun kopman keurig af te leveren bij het beruchte Bos van Wallers-Arenberg, maar blijven daarna vaak wanhopig spartelen in de achterhoede. Hooguit kunnen ze hun wiel of fiets nog afgeven aan hun leider in de koers, als de ploegleiderswagen op de smalle wegen niet snel genoeg naar voren kan rijden.
Parijs-Roubaix kent markante winnaars. Vaak zijn het bonkige, knoestige renners, die het dokkeren over de slecht liggende stenen met hun lichaamskracht kunnen opvangen. Die na het vallen gewoon opstaan en verder gaan. Het is geen koers voor 'flyers', lichtvoetige en ranke wielrenners.
De mooiste winnaars waren natuurlijk Roger de Vlaeminck, Francesco Moser en Gilbert Duclos-Lasalle, de man uit de streek zelf. Maar ook Nederlanders wonnen deze uit 1898 stammende wedstrijd. De recent overleden Peter Post won in 1964 en is nog steeds recordhouder van de snelste Parijs-Roubaix ooit, weliswaar gereden met heel veel rugwind. Maar mijn mooiste herinnering gaat uit naar Hennie Kuiper. Deze, voor de televisiecamera's hakkelende Twent, reed in 1983 vooraan in de koers. Hij had een kleine voorsprong op zijn achtervolgers. Plots gleed zijn fiets in een kuil naast de weg. Verder fietsen bleek onmogelijk. Zijn fiets is kapot en Hennie stond schreeuwend langs de kant van de weg. Woest keek hij of een materiaalwagen hem kon helpen. Het duurde lang, heel erg lang. Eindelijk was daar hulp. Met de nodige onhandigheid kreeg hij een nieuwe fiets kon hij verder. Zijn achtervolgers moesten hem nu toch haast wel zien. Maar Hennie ontketende zijn laatste krachten en reed Roubaix binnen, nam het beroemde 'hupje' van de wielerbaan en reed alleen richting finish. Daar ontving de door de modder besmeurde renner een van de mooiste troffeeën die de sportwereld kent; een kassei op een sokkel.
En dan mogen de renners naar de douches, de beroemste douches uit het wielrennen. Waar de kale hokjes de namen van vergeten renners dragen. Ach, Parijs-Roubaix is gewoon de mooiste koers in het jaar! Zondag 10 april is het weer genieten.
vrijdag 1 april 2011
Dichter bij de Ronde van Vlaanderen
onder zuidvlaamse wolken
met rauwe grauwe grijns
suizen ontieglijk vroeg
verbeten flandriens
gekromd zoals de bomen
vernijdigt zich de strijd
over kasseien wegen
windop tegen de tijd
melkkoeien slaan op hol
door 't heuv'lend platteland
wanneer de waaier spint
en zich bergop verkrampt
lichtvoetig over muren
bemerkt de favoriet
hoe bij het hemelrijk
de tegenstand verschiet
geledigde bidonnen
dwarsen furieus de baan
de achtervolgers strijden
maar er is geen houden aan
Aramis
De Muur van Geraardsbergen
Rilling en razernij door het peloton:
de Muur van Geraardsbergen staat
als een pantsercolonne van kasseien
te wachten en lacht zijn stenen bloot.
Benen breken in een helse kramp,
hoofd en adem haperen bij zoveel vertoon
van hoog en steil en bijna niet te temmen.
De Muur slaat zijn porfieren klauwen uit,
maait als een oorlog jonge mannen weg.
En houdt dan plots op muur te zijn:
wanneer de strijd bergop gestreden is
en de laatste man zijn lijf behoedzaam
tot zijn oude vormen heeft teruggebracht,
huilt de helling om voorbij verdriet.
Fluweel over de stad die haar torens telt
en de renners afgeranseld naar de finish jaagt.
Willie Verhegghe
De Ronde van Vlaanderen
‘gedicht voor Albéric’
Langs het parcours liggen
herinneringen aan Albéric Schotte
wiens naam als een eerlijke
mens en bijzondere coureur
vele generaties zal overleven.
Want zijn karakter was goed en
gelijkmatig als zijn cadans en de
muziek van de wind in zijn wielen zal…
Zingen van de ijzeren Flanderien
die op een koersvelo rijdt langs
hobbelige kasseien uit gres of porfier,
in de zon, in de hagel, in de sneeuw met
de wind mee of tegen, bergop of bergaf.
In zijn spoor in de pletsende regen
Koersen nu ‘zij aan zij’ Vlamingen en
Walen, Australiërs, Russen en Amerikanen
even strijdlustig als hij met alle hoop op …
Overwinnen
Karel de Pelsemaeker
donderdag 31 maart 2011
Koppenberg
De Ronde van Vlaanderen kent vele hoogtepunten. Een daarvan is de Koppenberg. Hij doemt nu op na 181 kilometer als negende helling in de wedstrijd. De Koppenberg is pas sinds 1976 opgenomen in de wedstrijd. Slechts enkelen kenden het bestaan, maar zwegen over deze klim van 75 meter hoogte. Zelfs de zoon van Karel van Wijnendaele voelde niets voor deze helling. De Koppenberg stond gelijk aan een halve kilometer slecht wegdek, bedekt met gras en modder en had steile en gevaarlijke afboordingen.
Maar een boekhouder die op de Koppenberg woonde, stuurde een brief naar de organisatie van de Ronde en zo kwam de berg toch in het parkoers. En meteen ging het fout. In het eerste jaar kwamen slechts 5 renners fietsend over deze gemene puist in Vlaanderenland. Zelfs Eddy Merckx moest te voet. Wijlen Gerrie Knetemann schreef daarover nog een limerick:
Maar een boekhouder die op de Koppenberg woonde, stuurde een brief naar de organisatie van de Ronde en zo kwam de berg toch in het parkoers. En meteen ging het fout. In het eerste jaar kwamen slechts 5 renners fietsend over deze gemene puist in Vlaanderenland. Zelfs Eddy Merckx moest te voet. Wijlen Gerrie Knetemann schreef daarover nog een limerick:
Er was eens een heuvel met koppen
Wie gaat daar nou niet naar de knoppen
Die puist is zo lastig en steil
Je komt er boven als een dweil
Menig kampioen heeft er moeten stoppen
Toegegeven, het is niet het knapste stukje poëzie, maar voor een ex-stratenmaker niet onverdienstelijk.
De jaren daarna waren niet veel beter. In 1977 kwam er maar 1 man fietsend de Koppenberg over. In 1978 waren daarom maatregelen genomen. Het publiek moest meer aan de kant en alleen auto's van officials mochten nog over de berg.
Toch ging het nog een keer goed fout. In 1987 reed de Deen Jesper Skibby aan kop van de wedstrijd. Zijn medevluchter Ludo Schurgers had hij op de Patersberg achter zich gelaten. Maar ook Skibby zat er goed doorheen. Het peloton was al op 30 seconden genaderd toen hij de eerste kasseien van de Koppenberg beroerde. Achter hem reed de wagen van de wedstrijdleider Jacques Martens. Ook hij zag het peloton met rasse schreden naderen en wilde de Deen nog voor de Koppenberg inhalen. Helaas, hij zag nu een zwoegende en zwalkende renner voor zijn auto. In zijn spiegel doemden de vastberaden koppen van de kopmannen van deze koers op. Hij zag maar één uitweg. Hij stuurde de auto tussen Skibby en de berm. De vermoeide renner schrok van de plotseling verschijnende auto en raakte de berm. De zwaartekracht nam het nu over en Jesper Skibby viel op de grond. Hij zag dat de auto over zijn fiets heenreed en hij kon nog net op tijd zijn voet van zijn pedaal trekken. Even later kwamen de andere renners langs. Zij hadden weinig oog voor de scheldende Deen in de berm met zijn kapotte fiets machteloos in zijn handen.
(Met dank aan Wiep Idzenga die over de Koppenberg een prachtig verhaal schreef in De Muur, het Wielertijdschrift voor Nederland en Vlaanderen, nummer 32)
woensdag 30 maart 2011
De Ronde in foto's
De Ronde van Vlaanderen is niet alleen voor wielrenners het ultieme hoogtepunt. Ook voor fotograven levert de Ronde een uitgelezen mogelijkheid voor prachtige foto's. De koers, de renners, het landschap en de fans; samen vormen zij een prachtige samensmelting van wat Vlaanderen is. Knoestig, weerbarstig en van een schoonheid van vervlogen jaren.
De fotograaf die in mijn ogen dit het mooist weet vast te leggen is Stephan Vanfleteren. Een hommage aan hem en aan de Ronde.
De fotograaf die in mijn ogen dit het mooist weet vast te leggen is Stephan Vanfleteren. Een hommage aan hem en aan de Ronde.
Abonneren op:
Posts (Atom)















