vrijdag 25 juni 2010

Zuid Afrika 1996 (26)

Winter in Afrika

Als je in Nederland zegt dat je naar het zuiden vertrekt, denkt iedereen dat je de zon gaat opzoeken en je in warmere streken terechtkomt. Ook ik was daarvan overtuigd. Blijkbaar ben ik iets te ver doorgeschoten naar het zuiden, want het Zuidafrikaanse klimaat is in dit jaargetijde verre van aangenaam. Het grote probleem is echter niet de buitentemperatuur, maar de temperatuur binnen. Op een of andere manier heeft men hier een bouwwijze toegepast waardoor het binnen enkele minuten binnen net zo koud c.q. warm is als buiten. De afgelopen weken zat ik daarom elke avond met een dikke trui aan op de bank, het straalkacheltje zodanig dichtbij dat de benen net niet werden onthaard en een slaapzak over me heen gedrapeerd om het maar enigszins warm te hebben. Overdag op kantoor was het niet veel beter. Het is toch heel apart om te vergaderen met je winterjas aan. Elke poging om notities te maken wordt pijnlijk afgestraft door een vergaande verkleuming van de vingers. Ja, het is een genot om hier te mogen zijn.
Dit hoofdstuk is geheel gewijd aan geweld in Zuid-Afrika. Misschien nog wat voorbeelden:


Koffiegeweld
Het is bijna onmogelijk om in dit land een lekker bakkie koffie te nuttigen. In restaurants word je meestal vergast op een “overheerlijk” kopje Nescafé. Soms is het nog erger en krijg je een kopje surrogaatkoffie. Het ziet er uit als koffie, het ruikt zelfs een beetje naar koffie, maar het heeft verder niets met koffie te maken.

Formulierengeweld
Zonder formulieren in te vullen ben je hier kansloos. Als je travellercheques wilt wisselen dien je minstens drie keer je volledige naam en adres in te vullen. Vervolgens mag je nog drie keer bij verschillende loketten in de rij staan voordat je je geld kan ontvangen.
Dit soort rituelen zijn zeer gebruikelijk. Het wisselen van huurauto, het ontvangen van postpakketten en het verlengen van je werkvisum vereisen veel geduld en veel papier.

Snoepjesgeweld
Je hebt net een heerlijk stuk giraffe gegeten in een restaurant. De Kanonskop-wijn vloeide overdadig. Uiteindelijk vraag je om de rekening. Deze komt in een keurig mapje. Wanneer je het mapje opent is het echter niet de rekening die je ziet, maar een berg blauwe snoepjes. Een hoeveelheid die genoeg is om zelfs achterneven en -nichten een voedzame maaltijd te geven. De fabrikant van deze snoepjes moet een fortuin verdienen, want overal in het land krijg je deze snoepjes.

Geweldig
Voor één keer in je leven jarig zijn in de winter. Geweldig.

woensdag 23 juni 2010

De wijk naar zee nemen

Een doodgewone dinsdagmorgen dacht ik. Niet dus. Deze dinsdag sla ik namelijk niet links de A1 op, maar rechts. Het dak kan eraf en is eraf vandaag. Want vandaag is onze jaarlijkse sportdag van mijn werk. Nou is het woord sportdag wat overdreven, want de sportieve elementen zijn de door de jaren minder en minder geworden. En dan te bedenken dat in de aankondigingen we het elk jaar Olympiade noemen.
Ik pik mijn collega Maarten op in Amsterdam en we rijden richting Beverwijk. Daar vertoont mijn navigatiesysteem dezelfde kuren als drie jaar geleden en zien we de hoogovens nog beter. Na wat heen en weer gerij eindelijk de goede richting gevonden richting Wijk aan Zee.
Het weer is prachtig. De collega's zitten op het terras bij de strandtent aan de koffie en de sfeer is gemoedelijk. Ik besluit deze dag vooral de Crea-Bea uit te hangen en mij te werpen op het schilderen van een boomerang. Ja, een diepgekoesterde wens gaat vandaag in vervulling. Op het strand staat een heuse Tipi waar de vlijtige Liesjes van ons bedrijf zich kunnen uitleven. Daar staan ook de twee stoelmasseurs klaar voor die mensen die nog relaxter door de dag willen komen.
Mijn boomerang vordert gestaag en we hebben buitengewoon veel lol. Daarna mogen we als team aantreden voor een heuse softbalwedstrijd. Nou ja, softbal? Nou ja, wedstrijd? Ach, de bal is inderdaad erg soft. Ons team neemt een prachtige voorsprong en ook ik raak de bal goed en weet drie honken te halen met mijn gewichtige gestalte en klapperende linkervoet.
Het andere team nadert ons op slechts een punt en dus winnen wij deze zandslag aan het Noordzeestrand.
Tijd voor koffie, lunch en genieten van de zon. Daarna de achterkant van mijn boomerang schilderen. Daar doen mijn vingers toch andere dingen dan wat ik in mijn hoofd had. Zijn het de kwasten? Is het de verf? Is het de spanning? Nee, het is gewoon onhandigheid in de meest letterlijke zin.
Ik klim weer terug naar het terras. Water en later bier vervolmaken deze sportdag. Kijk dat is nog eens werken op een doodgewone dinsdag!

maandag 21 juni 2010

Zuid Afrika 1996 (25)

Een verschil van dag en nacht

Ik was negen jaar oud toen Martin Luther King werd vermoord in een motel in Memphis. Dertien jaar later stond ik op de trappen van het Lincoln Memorial in Washington D.C., de plek waar dominee King zijn beroemde “I have a dream” toespraak heeft gehouden.
Drie jaar geleden las ik voor het eerst een indrukwekkend boek over de opkomst van de negerbeweging in Amerika.
Van Zuid-Afrika wist ik niet veel. Mijn opa had wel eens verteld van de boerenoorlogen aan het einde van de vorige eeuw. Van het apartheidsregime wist ik niet meer dan dat er overal bordjes hingen met teksten zoals “Slechts vir Blankes” en dat er zoiets bestond als thuislanden. Ik had geen bijzondere interesse in het land, misschien wel omdat het veilig is ergens tegen te zijn als je er niets van weet. Het waren tenslotte de jaren van de algehele boycot tegen Zuid-Afrika.
Na vier maanden in dit land weet ik ondertussen iets meer. In een onvoorstelbaar tempo probeert het land af te rekenen met het apartheidsregime. De “rainbow nation” moet een land zijn waar iedereen een respectvol bestaan kan hebben. Maar is het echt mogelijk om de afgelopen decennia zo maar te vergeten en vooral te vergeven?
De afgelopen maanden worden overal in het land bijeenkomsten gehouden van de zogenaamde “Truth en Reconciliation Committee” (Waarheid en Verzoening Committee) onder leiding van bisschop Desmond Tutu. Daar worden door gewone burgers de verhalen verteld van de voorbije periode. Verhalen vol met verbijsterend geweld van voornamelijk blanken jegens zwarten. Het zijn verhalen over de martelmethoden, over het spoorloos verdwijnen van kinderen en volwassenen en over nietsontziende moordenaars. Het is voor mij onbegrijpelijk dat de zwarte bevolking bijna geen haat en wraakgevoelens jegens de blanken heeft. Sterker nog, dat ze bereid zijn de wandaden te vergeven.
Tegelijkertijd is er echter veel geweld tussen de zwarte bevolkingsgroepen onderling. Er gaat geen weekend voorbij of er zijn weer tientallen doden in de provincie KwaZulu Natal waar aan de strijd tussen Inkatha en het ANC geen einde lijkt te komen. Vandaag zijn er weer vier doden gevallen bij een taxi-oorlog in de buurt van Kaapstad. Alhoewel Zuid-Afrika vele zwarte stammen heeft, is de strijd vaak tussen Zoeloes onderling wat het niet eenvoudig maakt voor deze blanke Hollander om iets van de achtergronden en de geschiedenis van deze conflicten te doorgronden.
In 1982 was ik in Atlanta, de stad waar nu de Olympische Spelen worden gehouden. De geboortestad ook van Martin Luther King. Tijdens de openingsceremonie werden weer de beelden getoond van die beroemde toespraak. Een toespraak waarbij ik altijd kippevel bij krijg. Veertien jaar geleden hing in het centrum van de stad een groot reclamebord van de lokale politie waarop elke dag het aantal moorden, verkrachtingen en overvallen werd bijgehouden. Later zag ik thuis op de foto dat bij het garagebedrijf onder dit reclamebord een klein bordje hing met de tekst “Yes, we’re still in business!”. Ik betwijfel op beide borden op dit moment nog in Atlanta hangen. Ze zouden nu net zo goed bij de Zuidafrikaanse grens kunnen hangen.
Het is een eer om een minuscule rol te mogen vervullen in de droom van Zuid-Afrika. Ik weet echter niet wat men zal zien als men over een paar jaar wakker wordt en men wordt geconfronteerd met de werkelijkheid. Een verschil van dag en nacht?

woensdag 16 juni 2010

Pakketje uit Italië

Als ik thuiskom ligt er een briefje op de mat. De TNT-bezorger - heet die eigenlijk nog wel postbode - heeft mij niet thuis aangetroffen. Alsof het om een politieonderzoek gaat. Als dank mag ik een pakketje ophalen bij de boekhandel. Want ja, ook mijn woonplaats heeft haar postkantoor ingeleverd. Op het briefje lees ik dat het pakketje uit Italië afkomstig is. Dat is toch vreemd, want wie zou mij vanuit Italië iets sturen?
De volgende dag rij ik langs bij de boekhandel dat gevestigd is in het allereerste overdekte winkelcentrum van Nederland. Ja, dat is een feit dat slechts weinig mensen weten. Ik overhandig mijn briefje en mijn paspoort. Even later komt uit het magazijn mijn pakketje tevoorschijn. Het heeft overigens weinig weg van een pakketje. Het is meer een brief. Snel probeer ik te schakelen. Is het wellicht mijn toegangsbewijs voor het concert van Seal dat ik deze zomer in Lucca ga bezoeken?
Ik loop weer terug naar de auto op de parkeerplaats en maak, als ik in de auto zit, de brief open. De eerste regel die ik lees is: 'Fine notification of the road traffic code'. Snel scan ik de brief en onderaan staat 170.60 euro. Dit blijkt helemaal geen 'fijne notificatie' te zijn, maar een boete! Het blijkt dat ik op 23 juli 2009 te hard heb gereden. Op de SS 197 bij kilometerpaaltje 41. Waar? Ja, precies! De SS 197 bij de Comune di Las Plassas. Nu wist ik ook niet meer waar dat lag, maar Google Earth wees mij de weg. Het ligt midden in Sardinië, vlak bij Su Nuraxi, een nuraghisch fort uit 1500 voor Christus. Het is maar dat je het weet.

Langzaam komen de herinneringen terug. Het was warm die dag, heel erg warm. Het kwik steeg tot boven de 40 graden Celsius. Met open dak rijden was geen optie, tenzij je van barbecueën houdt. Ik passeer het bewuste kilometerpaaltje om één minuut voor vieren. Mijn snelheid bedraagt 66 kilometer per uur, althans dat vertelt de Traffipot III SR, matr. n. 593-100/60309, omologaz. M.LL.PP. n. 4130 del 24-12-2004 mij. En dat is nou precies 16 kilometer te hard, hetgeen betekent dat ik het eerder genoemde bedrag van 170 euro en 60 cent mag overmaken. Doe ik dat niet op tijd, dan wordt de boete 327,60 euro. En dan te bedenken dat deze politieman, die Sergi Vincenzo blijkt te heten, er meer dan negen maanden over heeft gedaan om deze bekeuring als pakketje naar Nederland te sturen.
Overigens zie ik op Google Earth dat Las Plassas niet alleen de trotse eigenaar is van een heuse Traffipot, maar ook het wonderschone Sardegna in Miniatura op haar grondgebied heeft.

Dit dorp met 275 inwoners (dank aan Wikipedia) huisvest het Madurodam van Sardinië. Geen wonder dat ik er hard langs reed. Geen wonder ook dat ik Sergi Vincenzo zijn hoogtepunt van 2009 heb bezorgd.

dinsdag 15 juni 2010

Zuid Afrika 1996 (24)

Veiligheid kent geen tijd

Zuid-Afrika is geen veilig land en Johannesburg is zeker geen veilige stad. Elke dag staan de kranten vol met onrustbarende berichten over moorden, verkrachtingen en autokapingen. In Johannesburg worden de meeste moorden gepleegd ter wereld. Een griezelige gedachte.
De twee verhalen in dit hoofdstuk zijn ontleend aan deze werkelijkheid. Het waren slechts kleine berichtjes in de krant en zijn door mij enigszins bewerkt. Dat wil zeggen, in het eerste verhaal is er echt iemand van een brug geduwd en met haar hoofd op een grafsteen gevallen. Het tweede verhaal is nog dichter bij de werkelijkheid gebleven. Een pensioengerechte van Nederlandse komaf is door twee broers en een vriendin met een honkbalknuppel in elkaar geslagen. De badkuip, de afgezaagde ledematen en hoofd, de lekkende koffer en de arrestatie op het station zijn allemaal gebeurd. De twee broers zijn veroordeeld, nadat de vriendin als kroongetuige is opgetreden.
Mijn fantasie mag dan groot zijn, de werkelijkheid is altijd nog meer huiveringwekkend.


Hoe is dan mijn werkelijkheid? Wat gebeurt er als ik de binnenstad inrij en terecht kom in beruchte buurten zoals Hillbrow of in de buurt van Joubert Park? Heeft de waanzin of de paranoia reeds bezit genomen van mijn niet geringe hersenmassa?

In mijn met tralies en diverse sloten beveiligde appartement kan ik rustig beweren dat ik me redelijk veilig voel in deze stad. Natuurlijk weet ik dat op slechts vijf minuten lopen er crack, heroïne en dagga (hasj) wordt verkocht en dat Rocky Street, waar het kantoor van Planact is gevestigd, niet als een van de veiligste straten van de stad wordt beschouwd. Natuurlijk rij ik met de autodeuren op slot door de stad en kies ik de middelste baan wanneer ik op de driebaanswegen door de binnenstad rij. Natuurlijk ben ik alert op elke verdacht uitziende figuur die zich ‘s avonds in de straat bevindt wanneer ik het hek open om de auto te parkeren. Ook besef ik dat zeer velen in de stad in het bezit zijn van vuurwapens en geen enkele moeite hebben om die te gebruiken. Ik hoef de krant niet te lezen of het journaal niet te zien om geconfronteerd te worden met de meest afschuwelijke verhalen. Bijna iedereen die je spreekt heeft wel zo’n verhaal paraat. Maar om nou te zeggen dat ik me onveilig voel.

woensdag 26 mei 2010

Heel de wereld zit achter je aan

Het is weer Pinksteren geweest en aangezien ik vroeger op de School met de Bijbel zat - een bijbel die je overigens pas kreeg nadat je eraf ging - weet ik dat je dan de heilige geest krijgt. Ja, ik heb ook geleerd dat 'heilige' en 'geest' eigenlijk met hoofdletters geschreven worden, maar in dit verband schrijf ik het toch even zonder kapitalen. Want dit weekeinde kregen we met tien mannen weer de heilige geest. Acht mannen gingen fietsen en twee gingen er golfen. En ja, het was weer inspannend, tenminste het golfen. Onze vertrouwde golfbaan bleek niet meer onze vertrouwde golfbaan. De eigenaar, die ons de eerste keer verraste bij aankomst met een glas whiskey, bleek overleden. Zijn weduwe probeerde nu de baan zo goed en zo kwaad mogelijk te exploiteren. De drank was in ieder geval afgeschaft. Zonder plattegrond gingen we op pad. We kenden immers de baan na drie keer spelen. En het ging niet eens zo slecht. Natuurlijk, de grond was kurkdroog, waardoor je bal veel verder stuiterde dan gepland. En vanzelfsprekend was het gras te lang, waardoor de bal veel minder ver ging dan gepland. Maar de allesverslindende struikgewassen bestonden nog. De tweede hole ging niet verkeerd, maar vervolgens bleek hole drie niet te bestaan. Althans niet voor ons. Wel zagen we hole vijftien, een hole die vroeger niet eens bestond! Dan maar deze hole spelen. Hole vier was gelukkig wel weer op de vertrouwde plek en bleek wederom mijn beste hole. Daarna was de vijfde hole weer onvindbaar, maar konden we wel hole dertien spelen. Kortom, het bleek meer een hindernisbaan dan een golfbaan. En de zon was ongenadig en de heuvel leek wel steiler dan de vorige keren. Dus na zes holes hadden we onze lol wel gehad.
In Orval genoten we van de lunch en vervolgens reden we naar Boullion, waar het kasteel van de bekende Godfried staat. Deze koene ridder vreesde niet alleen God, maar ook zijn vijanden, want het kasteel heeft veel hindernissen om binnen te komen. Wij betaalden keurig de cassière, maar die schijnt er pas recent te zitten.
Het kasteel is prachtig, zoals je altijd vindt dat een kasteel hoort te zijn. Met donkere gangen, prachtige zalen en mooie uitzichttorens. Midden op het kasteelplein is een valkenier bezig zijn kunsten te vertonen. Laat ik het scherper schrijven; de valken gunnen de valkenier hun applaus.

Terug in het hotel pak ik mijn gitaar en speel een aantal minder bekende Dylan-liederen. De anderen praten er lekker doorheen. Alleen bij één nummer valt het stil. 'Als de regens om je oren slaan en heel de wereld zit achter je aan. Kom dan bij mij in de luwte staan, tot jij mijn liefde voelt'. Bij dit nummer wordt echt geluisterd. Het raakt mij, maar ook alle anderen.
Ach, als je de hele dag hebt gefietst of hebt gegolfd, en je weer terug bent onder elkaar, geldt blijkbaar maar één ding; saamhorigheid.

maandag 3 mei 2010

Zuid Afrika 1996 (23)

Enkele reis

Hij zag de honkbalknuppel niet aankomen. Ook merkte hij niet dat ze hem naar de badkuip droegen. Hij was al dood toen ze uiteindelijk zijn hoofd en ledematen met een zaag van de rest van zijn lichaam verwijderden.
Rik Ravelrok was dertig jaar geleden naar Zuid-Afrika gekomen. Zijn toenmalige werkgever had terloops gevraagd of hij er wat voor zou voelen om mee te helpen aan het opzetten van een woningcorporatie in een van de townships. Rik had niet lang hoeven na te denken en was gegaan. De bedoeling was een half jaar te blijven. Uiteindelijk is Rik nooit meer teruggegaan.
De eerste jaren waren niet gemakkelijk geweest. Hij miste vrienden, familie en collega’s. En ook Johannesburg was niet de meest plezierige plek op de wereld om te wonen. Rik dacht vaak met weemoed terug aan Amsterdam. Het werk slokte echter veel tijd op en langzaam maar zeker groeide de corporatie uit tot gezonde organisatie met 5.000 woningen.
Na vijf jaar in Zuid-Afrika had hij ontslag genomen bij zijn Nederlandse werkgever en was zijn eigen adviesbureau begonnen. De eerste jaren waren prima gegaan en het bureau had voldoende opdrachten om zes mensen aan het werk te houden. Ook privé ging het beter. Hij had een leuke spontane vrouw leren kennen en na twee jaar kregen ze een zoon. Druk met zijn bureau en de familie waren de contacten met Nederland bijna geheel verwaterd. Hij ging alleen nog bij bijzondere gelegenheden en de laatste jaren waren dat voornamelijk begrafenissen geweest.
De dag voor zijn vijftigste verjaardag kwam hij ‘s avonds laat thuis. Hij stapte uit zijn Mercedes en wilde het hek van de oprijlaan openen. Hij was in gedachten al bij de dag van morgen en had niet gemerkt dat er twee mannen vanuit de struiken naar hem toe waren gekomen.
Toen hij de volgende dag in het ziekenhuis ontwaakte bleek dat hij geluk had gehad. De kogel was rakelings langs zijn hart gegaan. Diezelfde dag besloot Rik te stoppen met zijn werk. Twee jaar later was ook zijn huwelijk ten einde.
Zijn eerste boek met de weinig sprankelende titel “Een vliegende Hollander vol goede hoop” was maar matig ontvangen door de Nederlandse critici. Zuid-Afrika was dan ook al lang geen interessant item meer. Mandela was tenslotte al meer dan tien jaar dood en de huidige blanke president was een weinig charismatische persoon. De tweedeling in de maatschappij was nog steeds aanwezig, maar het apartheidsregime was al te lang geleden om daar nog de schuld aan te geven.
Rik was ondertussen 65 jaar oud. De enige relatie die hij nog met Nederland had was zijn pensioen van zijn eerste werkgever. Hij woonde in een eenvoudig appartement in Yeoville, de wijk waar hij was gaan wonen toen hij in Zuid-Afrika arriveerde. Naast hem woonde een jong stel, Kobus en Joyce, aardige mensen. Ze haalden elke maand zijn cheque op het postkantoor voor hem op. Later trok de jongere broer van Kobus bij hen in, Rikus.
“Pak de koffers”, commandeerde Kobus. Joyce was dolblij dat ze de badkamer kon verlaten. Overal was bloed. Ze had bijna moeten kokhalzen toen het hoofd van haar buurman van de romp werd gescheiden. Maar nog erger was het geluid geweest van de zaag door de nekwervels. Ze snelde naar haar eigen appartement om de koffers te halen. Rikus en Kobus waren nog druk bezig om de ledematen van het lichaam te halen. Toen ze terugkwam stopten ze het hoofd en de torso in de twee hardschalen koffers en de vier ledematen in de katoenen koffer. Vlug maakten ze de badkamer schoon en gingen terug naar hun eigen appartement. Terwijl Kobus zich ging douchen, bekeek Rikus de buitgemaakte cheque met het pensioen van Rik Ravelrok met enige trots. Het zou wel even duren voor de instanties in Nederland achter zijn dood kwamen. Rik had zelf verteld dat hij met niemand verder contact onderhield. Dat betekende dat ze voorlopig elke maand zijn pensioen konden innen. Rikus glimlachte tevreden en stak de cheque in zijn portemon-naie. Joyce had ondertussen weer een sigaret opgestoken en liep nerveus door de kamer heen en weer. Nadat ook Rikus had gedoucht en schone kleren had aangetrokken, konden ze weg. Kobus had een taxi besteld en ze reden nu naar het station Doornfontein in Johannesburg.
De coupé was verder leeg. Ze zaten stilzwijgend naar het landschap buiten te kijken. De afvalbergen van de mijnen ten oosten van de stad gloeiden goudkleurig in de winterzon. De koffers lagen in het bagagerek. Laat in de middag zouden ze in hun vakantiehuis in Krokodilpoort zijn, iets voorbij Nelspruit en vlak bij het Krugerpark. Kobus had de dag daarvoor zijn auto al naar het station gebracht. Morgen zouden ze het Krugerpark inrijden en de koffers uit de auto gooien zodat de roofdieren zich te goed kunnen doen aan de overblijfselen van hun buurman.
Joyce steekt weer eens een sigaret op en vraagt zich af wanneer er aan deze nachtmerrie een einde komt. Ze had oorspronkelijk met de beide broers meegedaan toen ze de afgelopen weken het plan beraamden, maar de werkelijkheid benauwde haar. Vooral de kille afstandelijke blik waarmee Kobus haar de laatste uren had aangekeken.
Plotseling voelt ze een druppel vallen op haar schouder. Ze kijkt naar boven en ziet dat de katoenen koffer lekt. Ze schreeuwt het uit. De anderen kijken verschrikt op en volgen de blik van Joyce. “Verdomme, ik had je toch gezegd om niet die koffer te nemen.” Kobus grijpt de koffer uit het bagagerek, opent het raam en gooit hem naar buiten. Nadat hij het raam weer heeft gesloten vervolgen ze stilzwijgend hun weg.
De trein mindert vaart. Op het station van Nelspruit staat de politie op het perron te wachten. Een half uur geleden is de koffer gevonden langs de spoorlijn. Als de trein is gestopt en de enkele passagiers uitstappen hoeven ze niet lang te zoeken. Het zenuwachtige gedrag en de verwilderde blik in de ogen van Joyce verraden hun schuld. Als in het kantoor van de stationsbe-heerder de andere twee koffers opengaan is de vlucht ten einde. “Dat wordt een enkele reis richting gevangenis”, is het laatste wat Joyce nog hoort.